Citaat | Hoge Raad 2 maart 2021

Onder 2.3.1 Hoge Raad 2 maart 2021

Een alinea uit Hoge Raad 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:330.

In het geval waarin de raadsman op de terechtzitting aangeeft dat hij niet weet waarom de verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting, en om die reden een aanhoudingsverzoek doet met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde machtiging, is voor de beoordeling van zo’n verzoek – naast wat daarover is overwogen in onder meer HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 – het volgende van belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d44fc7447eaf81ac9a0342cc6bcfdb61e92074a6201ce9f4f1925b607ddb9f46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d44fc7447eaf81ac9a0342cc6bcfdb61e92074a6201ce9f4f1925b607ddb9f46, en de alinea staat in dat document op bytes 9186 tot 9815.