Citaat | Hoge Raad 26 maart 2021

Onder 3.6.6 Hoge Raad 26 maart 2021

Een alinea uit Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415.

Niet valt in te zien waarom de wijze waarop artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM in de praktijk uitwerkt, de grensoverschrijdende handel in motorrijtuigen in strijd met artikel 110 VWEU beperkt of belemmert. Voor de toepassing van artikel 110 VWEU heeft, in een geval als dit, tot het moment waarop het belastbare feit van registratie of aanvang van gebruik van de weg zich voordoet, als gelijksoortig motorrijtuig op de Nederlandse handelsmarkt te gelden elk ander gebruikt motorrijtuig dat niet op de weg in Nederland aan het verkeer mag deelnemen. De onderlinge mededinging tussen dergelijke motorrijtuigen op de interne markt wordt niet in strijd met artikel 110 VWEU of in strijd met de Unierechtelijke verkeersvrijheden belemmerd of beperkt door het bestaan van een registratiebelasting als de bpm. Heffing van bpm is voor dergelijke uit het buitenland afkomstige motorrijtuigen niet aan de orde. Daarmee kan ook niet worden gesproken van bescherming van de handel in gebruikte motorrijtuigen met Nederlands kenteken die vanwege essentiële gebreken niet kunnen of mogen deelnemen aan het verkeer. Op die interne markt zal de heffing van bpm alleen in beeld komen bij handelaren die dergelijke motorrijtuigen willen aankopen om te kunnen bestemmen voor gebruik op de weg in Nederland, en dus met de bedoeling de essentiële gebreken ervan te herstellen. Ook dan geldt dat vanuit de interne markt bezien die aankoop plaatsvindt op een handelsmarkt van motorrijtuigen met essentiële gebreken waardoor deze niet op de weg in Nederland in gebruik kunnen of mogen worden genomen. Dat is niet dezelfde handelsmarkt als de markt van motorrijtuigen die dat wel kunnen of mogen. Bedacht moet worden dat vóórdat het hiervoor bedoelde herstel van essentiële gebreken heeft plaatsgevonden, het motorrijtuig niet in de door artikel 110 VWEU beschermde concurrentie kan treden met motorrijtuigen waarmee gebruik van de weg kan en mag worden gemaakt. Verder geldt dat ook een in Nederland geregistreerd motorrijtuig met essentiële gebreken pas weer gebruik mag gaan maken van de weg wanneer die gebreken zijn hersteld en met dat herstel de handelswaarde van dat motorrijtuig, inclusief de daarin verdisconteerde bpm-component, als gevolg van dat herstel is toegenomen tot een handelswaarde zonder essentiële gebreken. Het hiervoor in 2.9.2 weergegeven oordeel van het Hof over de onverenigbaarheid van artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM met artikel 110 VWEU geeft daarom in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/370defaaf09f2a24744de135a601e3b070ff564e38699d9d22c52c5e58fdec64. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 370defaaf09f2a24744de135a601e3b070ff564e38699d9d22c52c5e58fdec64, en de alinea staat in dat document op bytes 34242 tot 36813.