Citaat | Hoge Raad 23 april 2021
Onder 3.4.2 Hoge Raad 23 april 2021
Een alinea uit Hoge Raad 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:641.
Op grond van art. 22a lid 3 Rv kan een rechter, indien kennisneming van stukken door een partij de bescherming van een bedrijfsgeheim als bedoeld in art. 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen. Gelet op deze bevoegdheid, die de rechter ook ambtshalve kan uitoefenen indien een partij zich erop beroept dat bepaalde gegevens het karakter van bedrijfsgeheim hebben, mocht het hof het aantal personen dat toegang heeft tot de vertrouwelijke informatie beperken op de wijze zoals het in het dictum onder 6.2 heeft gedaan. Het feit dat het hof in rov. 5.28 heeft gewezen op art. 1019ib Rv – welke bepaling overigens blijkens art. 1019ia Rv niet van toepassing is op de onderhavige procedure die over merkinbreuk gaat – doet niet aan de uit art. 22a lid 3 Rv voortvloeiende bevoegdheid af.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/facf45a877a78d153314db404e8135a0b5f4f67dd8558de7ea27489ff95a2d60. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt facf45a877a78d153314db404e8135a0b5f4f67dd8558de7ea27489ff95a2d60, en de alinea staat in dat document op bytes 32758 tot 33755.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/facf45a877a78d153314db404e8135a0b5f4f67dd8558de7ea27489ff95a2d60 | shasum -a 256