Citaat | Hoge Raad 5 april 2022

Onder 6.13.2 Hoge Raad 5 april 2022

Een alinea uit Hoge Raad 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:476.

De Hoge Raad vindt hierin aanleiding te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Praktisch gesproken houdt dit in dat als de officier van justitie toepassing geeft aan de bevoegdheden op grond van artikel 126na, 126ua en 126zi Sv, hij geen schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris nodig heeft. Geeft de officier van justitie daarentegen toepassing aan de bevoegdheden van artikel 126n, 126u en 126zh Sv, aan de bevoegdheden van artikel 126ni, 126ui en 126zja Sv, voor zover de vordering dan is gericht aan de aanbieder van een communicatiedienst, of aan de bevoegdheid van artikel 126zo Sv, dan moet hij – ook al schrijft de wet dat niet voor – een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris vorderen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd969f8943f9d194ee6a6765997f458dfdc79c9cc6f442b39af7a4bfa4f7d73e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd969f8943f9d194ee6a6765997f458dfdc79c9cc6f442b39af7a4bfa4f7d73e, en de alinea staat in dat document op bytes 14084 tot 15047.