Citaat | Hoge Raad 8 april 2022
Onder 3.2 Hoge Raad 8 april 2022
Een alinea uit Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
De hiervoor in 3.1, laatste volzin, weergegeven opvatting is onjuist. Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dit geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa16ca44f60d0a4d2a839b561a38bc59a8d66553a7ac236306b49b34a242bb75. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa16ca44f60d0a4d2a839b561a38bc59a8d66553a7ac236306b49b34a242bb75, en de alinea staat in dat document op bytes 8086 tot 9219.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aa16ca44f60d0a4d2a839b561a38bc59a8d66553a7ac236306b49b34a242bb75 | shasum -a 256