Citaat | Hoge Raad 22 april 2022
Onder 3.2 Hoge Raad 22 april 2022
Een alinea uit Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:596.
Deze klachten slagen. Het hof heeft miskend dat het gehouden was te onderzoeken of een rechtsgrond bestond voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente, ook bij gebreke van verweer van Wiefferink. Het heeft vervolgens ten onrechte de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente toegewezen. Wiefferink moest als gevolg van de vernietiging van de koopovereenkomsten de koopsommen terugbetalen die op grond van die overeenkomsten waren voldaan. Die op Wiefferink rustende verbintenissen tot terugbetaling zijn niet gebaseerd op de koopovereenkomsten, maar vloeien voort uit art. 6:203 BW. Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/271c36c82d8112997a934aea60777c2c468241af637b93e00a96219fda44464f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 271c36c82d8112997a934aea60777c2c468241af637b93e00a96219fda44464f, en de alinea staat in dat document op bytes 8405 tot 9590.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/271c36c82d8112997a934aea60777c2c468241af637b93e00a96219fda44464f | shasum -a 256