Citaat | Hoge Raad 20 mei 2022

Onder 3.1.3 Hoge Raad 20 mei 2022

Een alinea uit Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:721.

In zijn beschikking van 8 november 1991 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de strekking van de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR haar rechtvaardiging vindt in het algemene belang dat het publiek, waaronder in de eerste plaats de belastingplichtigen, niet van het verstrekken van inlichtingen en bescheiden aan de belastingdienst wordt weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de belastingdienst opgedragen taak. Die strekking brengt mee dat het niet aan elke individuele persoon om wiens gegevens het gaat, moet zijn om – eventueel onder druk van het standpunt van een processuele tegenpartij dat hij iets te verbergen heeft – te bepalen of de gegevens waarop de geheimhoudingsplicht betrekking heeft, door degene op wie deze plicht rust, bekend mogen worden gemaakt. Verder heeft de Hoge Raad in die beschikking geoordeeld dat de in art. 67 lid 1 AWR geregelde, stringent geformuleerde geheimhoudingsplicht zijn grondslag vindt in het hiervoor genoemde algemene belang en dat op grond van ditzelfde algemene belang moet worden aangenomen dat die geheimhoudingsplicht wordt versterkt door een verschoningsrecht als bedoeld in art. 191 lid 2 Rv (thans art. 165 lid 2 Rv) en wel met betrekking tot alle gegevens die onder de geheimhoudingsplicht vallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/114da02e32edf893858cb36a049dceda7976879693dfb80c1e5ba96f1ef44e36. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 114da02e32edf893858cb36a049dceda7976879693dfb80c1e5ba96f1ef44e36, en de alinea staat in dat document op bytes 22248 tot 23685.