Citaat | Hoge Raad 10 juni 2022

Onder 3.1 Hoge Raad 10 juni 2022

Een alinea uit Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:858.

Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen de oordelen van het hof dat een veroordeelde zich in een civiele procedure (uitsluitend) kan beroepen op een kennelijke fout in het oordeel dat de penitentiaire kamer heeft gegeven in de aanpassingsprocedure als bedoeld in art. 2:11 Wets (rov. 6.6), dat het niet aan de civiele rechter is om het oordeel van de penitentiaire kamer inhoudelijk op juistheid te toetsen (rov. 6.7) en dat de minister niet onrechtmatig heeft gehandeld door het Engelse strafvonnis conform het oordeel van de penitentiaire kamer aan te passen en in de aldus aangepaste vorm ten uitvoer te leggen (rov. 6.7). Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat hoor en wederhoor – zoals voorgeschreven in art. 2:11 Wets, het Kaderbesluit, de art. 41 en 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en art. 6 EVRM – in de aanpassingsprocedure bij de penitentiaire kamer heeft ontbroken. Daarom heeft het hof zich niet mogen beperken tot de vraag of sprake is van een kennelijke fout in het oordeel dat de penitentiaire kamer heeft gegeven in de aanpassingsprocedure, aldus de klacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4e06a5e0fcd12ebc62fa7d2d49585b749e7a341e8d737d5424de25d8dfa00eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4e06a5e0fcd12ebc62fa7d2d49585b749e7a341e8d737d5424de25d8dfa00eb, en de alinea staat in dat document op bytes 29238 tot 30362.