Citaat | Hoge Raad 13 juni 2023
Onder 6.28 Hoge Raad 13 juni 2023
Een alinea uit Hoge Raad 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913.
De Hoge Raad wijst er hierbij op dat in verband met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit alleen dan een machtiging van de Nederlandse rechter-commissaris is vereist, als zich de onder 6.21 en 6.23 omschreven gevallen voordoen. Daarbuiten is het openbaar ministerie niet gehouden een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. Dat doet er – zoals onder 6.24 naar voren kwam – niet aan af dat ook dan aanleiding kan bestaan voor het vorderen van een machtiging van de rechter-commissaris, mede met het oog op – kort gezegd – de wijze waarop de verkregen gegevens worden verwerkt ten behoeve van en gebruikt in Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken. Het vorderen en verleend zijn van zo’n machtiging kan daarbij een waarborg vormen voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df49d3366d52ba0de54ed660939ba88569ec179cc6552e96e4e6c38940bd6f13. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df49d3366d52ba0de54ed660939ba88569ec179cc6552e96e4e6c38940bd6f13, en de alinea staat in dat document op bytes 159914 tot 160823.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/df49d3366d52ba0de54ed660939ba88569ec179cc6552e96e4e6c38940bd6f13 | shasum -a 256