Citaat | Hoge Raad 3 februari 2023
Onder 4.2.1 Hoge Raad 3 februari 2023
Een alinea uit Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.
Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022 dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbf063a39ead6c149176e870960f47a6263584be069c5ed3af81f0695f18ce5d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbf063a39ead6c149176e870960f47a6263584be069c5ed3af81f0695f18ce5d, en de alinea staat in dat document op bytes 10233 tot 11234.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fbf063a39ead6c149176e870960f47a6263584be069c5ed3af81f0695f18ce5d | shasum -a 256