Citaat | Hoge Raad 19 januari 2024

Onder 4.5.1 Hoge Raad 19 januari 2024

Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49.

Zoals hiervoor in 4.3.4 is overwogen, moet worden aangenomen dat artikel 25, lid 2, tweede volzin, van de Wet Vpb, in samenhang gelezen met artikel 25, lid 3, van de Wet Vpb, een uitputtende regeling bevat van de gevallen waarin de opbrengstgerechtigde niet als uiteindelijk gerechtigde tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden, wordt beschouwd. In andere gevallen staat deze bepaling niet eraan in de weg dat de opbrengstgerechtigde die hoedanigheid van uiteindelijk gerechtigde heeft indien hij vrijelijk over de opbrengst kan beschikken en bij de ontvangst daarvan niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. Daarom moet worden aangenomen dat de opbrengstgerechtigde die volgens artikel 25, lid 2, eerste volzin, van de Wet Vpb geldt als uiteindelijk gerechtigde, toch niet meer als zodanig wordt beschouwd uitsluitend in de in die tweede volzin omschreven gevallen van dividendstripping.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1540b2b4aaf66c428b2fc8a687148a84873fccdd9ede48342d332639a49b4ba5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1540b2b4aaf66c428b2fc8a687148a84873fccdd9ede48342d332639a49b4ba5, en de alinea staat in dat document op bytes 46441 tot 47364.