Citaat | Hoge Raad 31 januari 2025

Onder 3.2.2 Hoge Raad 31 januari 2025

Een alinea uit Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167.

Bij de beoordeling van deze klachten is uitgangspunt dat [kinderen van overleden huurster] voorafgaand aan, en in deze procedure niet hebben gesteld dat zij op grond van art. 7:268 lid 2 BW recht zouden hebben gehad op voortzetting van de huur op de grond dat zij met hun moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad. Hun betoog houdt in dat zij op grond van overeenkomsten I en II huurders zijn geworden (rov. 4.1-4.2 van het vonnis van de kantonrechter). Gelet daarop kon het hof er bij de kwalificatie van die overeenkomsten van uitgaan dat [kinderen van overleden huurster] niet uit hoofde van art. 7:268 lid 2 BW recht hadden op voortzetting van de huur, en de woning, de overeenkomsten I en II weggedacht, op korte termijn hadden moeten verlaten (zie hiervoor in 3.1.3).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a78562f151bae0ece4f1f7b97f2787ac3974478811d6c03b9027bf765770ba9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a78562f151bae0ece4f1f7b97f2787ac3974478811d6c03b9027bf765770ba9, en de alinea staat in dat document op bytes 26162 tot 26970.