Citaat | Hoge Raad 4 april 2025

Onder 3.2.2 Hoge Raad 4 april 2025

Een alinea uit Hoge Raad 4 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:511.

De bepalingen zien op het geval dat de echtgenoot van de erflater de in de art. 4:29 en 4:30 BW bedoelde goederen zelf niet als erfgenaam of legataris verkrijgt, maar die goederen wel voor zijn of haar verzorging nodig heeft. De bepalingen geven de echtgenoot de mogelijkheid om jegens de erfgena(a)m(en) of andere rechthebbende(n) (hierna: de rechthebbende) aanspraak te maken op de vestiging van vruchtgebruik op deze goederen. Op grond van art. 4:29 lid 1 BW is de rechthebbende, indien de echtgenoot daarop aanspraak maakt, verplicht tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik op de echtelijke woning en de inboedel daarvan, tenzij de kantonrechter op de voet van art. 4:33 lid 2, onder a, BW oordeelt dat de echtgenoot daaraan voor zijn of haar verzorging geen behoefte heeft. Art. 4:30 lid 1 BW ziet op medewerking aan de vestiging van een door de echtgenoot verlangd vruchtgebruik op andere goederen dan de in art. 4:29 lid 1 BW bedoelde. Medewerking aan de vestiging van vruchtgebruik op deze andere goederen kan de echtgenoot alleen afdwingen indien en voor zover hij of zij aannemelijk maakt daaraan behoefte te hebben.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7fbdd5ff7258405e21ecc72209b38938f2c450551f6b29340cb021b94240819f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7fbdd5ff7258405e21ecc72209b38938f2c450551f6b29340cb021b94240819f, en de alinea staat in dat document op bytes 15183 tot 16338.