Citaat | Hoge Raad 17 juli 2026

Onder 2.6.2 Hoge Raad 17 juli 2026

Een alinea uit Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1197.

Ten aanzien van de internationale bevoegdheid oordeelde het hof dat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht ten aanzien van vorderingen A, B en C (rov. 4.6). Dat geldt ook voor vordering D (rov. 4.8-4.12). Anders dan de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de tegen Lloyds Bank c.s. ingestelde vordering E (rov. 4.13). In dat verband heeft het hof overwogen:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08fdf30defe0a4a630a6c0f089b780a663020a8f44c97c545bf332446ea2f7a3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08fdf30defe0a4a630a6c0f089b780a663020a8f44c97c545bf332446ea2f7a3, en de alinea staat in dat document op bytes 18329 tot 18771.