Citaat | Hoge Raad 17 juli 2026

Onder 3.3.2 Hoge Raad 17 juli 2026

Een alinea uit Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1197.

In de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid beoordeelt de aangezochte rechter noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering; hij identificeert in die fase uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat die zijn bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis rechtvaardigen. Het is daarbij aan de rechter om te beoordelen of er, met betrekking tot de vorderingen tegen de verschillende verweerders, sprake is van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’ als bedoeld in de rechtspraak van het HvJEU over deze bepaling, rekening houdend met alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, daaronder begrepen, in voorkomend geval, gegevens die de verweerder heeft verstrekt. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verweerder de stellingen van de eiser betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. De doelstelling van rechtszekerheid vereist immers dat de aangezochte rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken zonder dat hij gedwongen is om uitspraak ten gronde te doen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08fdf30defe0a4a630a6c0f089b780a663020a8f44c97c545bf332446ea2f7a3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08fdf30defe0a4a630a6c0f089b780a663020a8f44c97c545bf332446ea2f7a3, en de alinea staat in dat document op bytes 28500 tot 29927.