Citaat | Hoge Raad 17 april 2026

Onder 3.12 Hoge Raad 17 april 2026

Een alinea uit Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679.

Art. 5 lid 3 EVRM bepaalt onder meer dat eenieder die is gearresteerd of gedetineerd overeenkomstig art. 5 lid 1 onder c EVRM, onverwijld voor een rechter moet worden geleid en het recht heeft binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Deze voorgeleiding moet volgens rechtspraak van het EHRM in beginsel uiterlijk binnen vier dagen na de aanhouding plaatsvinden. Ook een kortere periode kan in strijd zijn met art. 5 lid 3 EVRM. Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in art. 5 lid 3 EVRM opgenomen vereiste van onverwijlde voorgeleiding voor een rechter, is de omstandigheid dat de aangehoudene of gedetineerde ten tijde van de arrestatie minderjarig was van groot belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd0639ca6ac2199373dfe8d06dcf300b303e82d54703bebe6d841d8eaf0eb929. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd0639ca6ac2199373dfe8d06dcf300b303e82d54703bebe6d841d8eaf0eb929, en de alinea staat in dat document op bytes 48574 tot 49528.