Citaat | Hoge Raad 12 juni 2026
Onder 3.6.2 Hoge Raad 12 juni 2026
Een alinea uit Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:921.
(ii) De instelling voldoet aan een op haar rustende verplichting indien zij een afschrift van het bij het cliëntenonderzoek gebruikte identiteitsbewijs vastlegt en bewaart. Uit de toelichting zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever de keuzemogelijkheid tussen het vastleggen van de in art. 33 lid 2, aanhef en onder a.1º, Wwft genoemde gegevens en het bewaren van een kopie van het identiteitsbewijs als één wettelijke verplichting heeft gezien. De toelichting verwijst immers als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens naar art. 8, onder c, Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp (oud)), waarin als grond was opgenomen dat de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Dit zou betekenen dat, hoewel de instelling volgens de tekst van de wet kan kiezen uit twee mogelijkheden, ieder van die mogelijkheden voldoet aan de grondslag ‘noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting’. Dat gold ten tijde van de memorie van toelichting op de Wwft voor art. 8, onder c, Wbp (oud), en thans voor art. 6 lid 1, aanhef en onder c, AVG.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9ff9916aca7c3eebccee86a9a6f569659699d9ee6de48fa01b3e1a147d0846ef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9ff9916aca7c3eebccee86a9a6f569659699d9ee6de48fa01b3e1a147d0846ef, en de alinea staat in dat document op bytes 40178 tot 41338.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9ff9916aca7c3eebccee86a9a6f569659699d9ee6de48fa01b3e1a147d0846ef | shasum -a 256