Citaat | Hoge Raad 12 juni 2026

Onder 3.7.2 Hoge Raad 12 juni 2026

Een alinea uit Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:921.

Niet duidelijk is of uit art. 40 lid 1, aanhef en onder a, van de vierde anti-witwasrichtlijn voortvloeit dat de lidstaten meldingsplichtige entiteiten dienen te verplichten tot het bewaren van een (volledige) kopie van een identiteitsbewijs dat is gebruikt bij de verificatie van de identiteit van een natuurlijke persoon in het kader van een cliëntenonderzoek. Uit de bepaling volgt dat bewaard moet worden ‘een afschrift van de documenten (…) die nodig zijn voor het naleven van de cliëntenonderzoeksvoorschriften vastgelegd in hoofdstuk II’. Hoofdstuk II van de richtlijn bevat evenwel geen bepalingen waaruit blijkt welke documenten nodig zijn voor de voorgeschreven identificatie en verificatie van de identiteit van een cliënt in het kader van een cliëntenonderzoek. Art. 13 lid 1, aanhef en onder a, van de richtlijn bepaalt slechts, voor zover van belang, dat cliëntenonderzoeksmaatregelen omvatten ‘de identificatie van de cliënt en verificatie van zijn identiteit op basis van documenten, gegevens of informatie uit een betrouwbare en onafhankelijke bron’. Het ligt voor de hand dat een identiteitsbewijs kan worden aangemerkt als een document uit een betrouwbare en onafhankelijke bron en derhalve een afschrift daarvan bewaard zou moeten worden als het identiteitsbewijs is gebruikt voor de identificatie van de cliënt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9ff9916aca7c3eebccee86a9a6f569659699d9ee6de48fa01b3e1a147d0846ef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9ff9916aca7c3eebccee86a9a6f569659699d9ee6de48fa01b3e1a147d0846ef, en de alinea staat in dat document op bytes 45758 tot 47120.