Citaat | Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 7 februari 2024

Onder 4.11.1 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 7 februari 2024

Een alinea uit Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 7 februari 2024, ECLI:NL:OGEAA:2024:8.

‘Belanghebbende heeft binnen 3 maanden na het einde van het dienstjaar aanvragen om ontheffing van grondbelasting conform artikel 35, 36 en 37 Lgb ingediend bij de Inspecteur. Bij belanghebbende bestaat op basis van voornoemde artikelen een recht om ontheffing te krijgen van grondbelasting. Het recht om een ontheffing is van toepassing op het moment dat een gebouw geheel of gedeeltelijk is vernield door een onvoorziene ramp, en/of wanneer een gebouw, en/of afzonderlijk gebruikte delen daarvan, minimaal 6 achtereenvolgende maanden ongebruikt of onverhuurd is gebleven. Bij belanghebbende hebben een of beide gevallen zich voorgedaan waardoor belanghebbende een recht heeft op ontheffing. Tot op heden heeft de Inspecteur geen beslissing genomen op de ontheffingsverzoeken van belanghebbende. Belanghebbende is van mening dat in dit geval beroep openstaat tegen het uitblijven van een ontheffingsverzoeken gebaseerd op artikel 35, 36 en 37 Lgb omdat de wetgever de ontheffing in de wet heeft verankerd als een recht van belastingplichtige. Tevens bepaalt artikel 36, lid 2 dat de Inspecteur verplicht is om uitspraak te doen (zo nodig na belanghebbende te hebben gehoord) op verzoeken conform art. 35 en 37. Derhalve meent belanghebbende dat rechtsbescherming middels bezwaar en beroep aan de belastingplichtige dient toe te komen in het geval de Inspecteur door haar nalaten (het niet doen van uitspraak) een recht ontneemt van de belanghebbende. Ter verdere onderbouwing van haar standpunt verwijst belanghebbende naar een uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 6 juli 2022. Hierin werd geoordeeld dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar betrekking heeft op belastingen, aangesloten moet worden bij de Algemene Landsverordening Belastingen (ALB) in plaats van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Het Gerecht meent namelijk dat het in het kader van een behoorlijke rechtsbescherming mogelijk moet zijn om hiertegen in beroep te gaan. Belanghebbende verwijst ook naar een beslissing van het Gerecht in de precario-zaak. Ook in die zaak heeft de belastingrechter zich bevoegd geacht. Gelet op de beslissingen van het Gerecht in voornoemde zaken meent belanghebbende dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om in een klein onderdeel van de grondbelastingwet onder te brengen bij de (minder deskundige) LAR-rechter terwijl de rest van de wet onder de bevoegdheid van de belastingrechter valt. Artikel 37 en 24, lid 1 sub e Lgb gaan allebei over vernieling door onvoorziene rampen. Je zou dan voor artikel 24 Lgb bij de belastingrechter moeten zijn en voor artikel 37 Lgb bij de LAR-rechter. Dat is volgens belanghebbende niet logisch en kan niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever.’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08d3a4e4955e3a70c524712b8ce186c666458705d2a8a947bcc8a2919600b347. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08d3a4e4955e3a70c524712b8ce186c666458705d2a8a947bcc8a2919600b347, en de alinea staat in dat document op bytes 17719 tot 20737.