Citaat | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 februari 2017

Onder 4.6. Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 februari 2017

Een alinea uit Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 februari 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:49.

Het derde gebrek waarop VBC zich beroept is dat de minister de wettelijk vereiste adviesprocedure bij de Sociaal Economische Raad (SER) niet heeft gevolgd. Ingevolge artikel 9 lid 8 Lv ML dient de minister, alvorens een besluit krachtens het zevende lid te nemen, de SER in de gelegenheid te stellen hem ter zake van advies te dienen. Volgens VBC heeft de minister de SER niet om advies gevraagd. Het Land betwist dit onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij de Lv ML (NvT, pg. 13 onder II). Uit die toelichting blijkt dat de SER ‘geruime tijd geleden’ om advies is gevraagd omtrent het verhogen van de minimumlonen en dat de minister ‘tot op heden’ geen advies van de SER heeft mogen ontvangen. De voorzitter van VBC heeft ter zitting meegedeeld dat hij tevens plaatsvervangend lid van de SER is en in die hoedanigheid weet dat de SER niet om advies is gevraagd. Het Gerecht acht deze blote mededeling voorshands onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van voormelde toelichting van de minister in de Nota van Toelichting, te meer nu de voorzitter van VBC in de onderhavige zaak niet optreedt namens de SER. Dit kort geding leent zich niet voor nader onderzoek naar de juistheid van de stelling van VBC dat de minister de SER niet om advies heeft gevraagd. Het Gerecht gaat er voorshands derhalve vanuit dat de minister de SER wel om advies heeft gevraagd. Daarmee is in beginsel, overeenkomstig de tekst van artikel 9 lid 7 Lv ML, voldaan aan het vereiste dat de minister de SER in de gelegenheid moet stellen om hem van advies te dienen. Dat de minister het advies van de SER niet heeft afgewacht, levert - naar het voorshands oordeel van het Gerecht - geen strijd met de wet op. Het Land voert in dit verband - terecht - aan dat wettelijk onderscheid wordt gemaakt tussen ‘in de gelegenheid stellen’ en ‘horen’. Op grond van artikel 9 lid 7 Lv ML bestaat er geen verplichting tot het ‘horen’ van de SER. Volgens het Land hoefde het advies daarom niet door de minister te worden afgewacht. VBC heeft hiertegenover geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg van de wet moeten leiden. Voorshands is derhalve niet gebleken dat de minister het advies van de SER had moeten afwachten noch dat zij (anderszins) in strijd met de wet heeft gehandeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b4987c9ce3afda6ec1b2d160aa19ceec8090f8d1fde9e9e32f6681165f7df648. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b4987c9ce3afda6ec1b2d160aa19ceec8090f8d1fde9e9e32f6681165f7df648, en de alinea staat in dat document op bytes 17080 tot 19393.