Citaat | Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 20 december 2013
Alinea 34 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 20 december 2013
Een alinea uit Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 20 december 2013, ECLI:NL:OGHACMB:2013:40.
Voorop moet worden gesteld dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 413 Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van een dergelijk geval is hier naar het oordeel van het Hof geen sprake; dat door de normschending een eerlijke behandeling van de zaak van de verdachte niet mogelijk is en dat aan zijn recht daarop doelbewust of met grove veronachtzaming tekort is gedaan, is niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat, zoals door de verdediging is gesteld, door het ontbreken van een tijdige en behoorlijke verslaglegging het Hof dit niet kan toetsen. De verdediging heeft deze stelling niet onderbouwd en de inhoud van het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting geeft aanleiding te veronderstellen dat het Hof op dit punt onvolledig of onvoldoende is geïnformeerd. Voorts is het Hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de hoofdofficier van justitie het gebruik van de onderhavige opsporingsmethode heeft bevolen, terwijl hij moet hebben geweten dat een wettelijke grondslag ontbrak, en dat aldus ‘het belang van de gemeenschap dat met name ook staande magistraten het wettelijk systeem in acht nemen’ (pleitnota, p. 17) is geschonden, niet meebrengt dat hier sprake is van een inbreuk van een zodanig fundamenteel karakter dat schending van dit belang tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden, zoals in het geval bedoeld in het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1143, NJ 1999, 567.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/041ac4039866ba0c3d5b374718a9ac8ba95e9a36b531752272c968a57fe42bb6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 041ac4039866ba0c3d5b374718a9ac8ba95e9a36b531752272c968a57fe42bb6, en de alinea staat in dat document op bytes 16798 tot 18746.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/041ac4039866ba0c3d5b374718a9ac8ba95e9a36b531752272c968a57fe42bb6 | shasum -a 256