Citaat | Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 9 juni 2020

Onder 2.3. Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 9 juni 2020

Een alinea uit Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 9 juni 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:149.

De vordering van WLW is gebaseerd op artikel 3:105 BW in verbinding met artikel 3:306 BW. Die grondslag impliceert dat WLW zelf er (terecht) vanuit gaat dat haar (vermeende) bezit van de grond niet te goeder trouw is geweest, in die zin dat zij redelijkerwijs niet heeft mogen aannemen de rechthebbende op de grond te zijn. De grond maakt immers deel uit van het strand en is daarmee, ook volgens WLW, “domeingrond”, hetgeen wil zeggen dat in beginsel het Land de rechthebbende is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/259ffc90d26a34a1f98edeb1c3a717ebc6b33ba9c715a2f37d6820bf3a29d925. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 259ffc90d26a34a1f98edeb1c3a717ebc6b33ba9c715a2f37d6820bf3a29d925, en de alinea staat in dat document op bytes 8263 tot 8761.