Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 1927

Alinea 5 Parket bij de Hoge Raad 8 april 1927

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 1927, ECLI:NL:PHR:1927:1.

Het Gerechtshof alhier beschouwde zijne inschrijving als eene voorwaardelijke schenking en verklaarde de eischers qq. niet-ontvankelijk in hunne vordering, waarom deze de beslissing met het navolgende middel komen bestrijden: „Schending en verkeerde toepassing van artt. 1349, 1350, 1355, 1356, 1371, 1372, 1703, 1719 B. W. en art. 48 Rv .: a. doordat het Gerechtshof de verbintenis door de credietgenietende leden met de N.V. de Zuid-Hollandsche Credietvereeniging door hun inschrijving aangegaan, strekkende tot uitkeering van een zeker kapitaal, indien bedoelde N. V. haar schulden niet meer uit eigen vermogen kan voldoen, beschouwt als een schenking en nu de voor schenking door de Wet vereischte vorm niet is in acht genomen, beslist, dat aan deze inschrijving geen recht kan worden ontleend, op grond, dat tegenover de verplichting tot uitkeering geenerlei kans op winst of voordeel staat, noch heeft gestaan, zulks, hoewel ook blijkens het aangevallen arrest door het Hof is aangenomen:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7d17167add127ce67726e3d45d44961f2efc3226eda8829a3c7e7bcbc7e652be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7d17167add127ce67726e3d45d44961f2efc3226eda8829a3c7e7bcbc7e652be, en de alinea staat in dat document op bytes 4650 tot 5659.