Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 mei 1935
Alinea 6 Parket bij de Hoge Raad 31 mei 1935
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 mei 1935, ECLI:NL:PHR:1935:4.
Doch het komt mij voor, dat inderdaad in verband met art. 48 Rv. art. 103 mede in verband met de artt. 200 en 355, alle van hetzelfde Wetboek, wel verkeerd is toegepast, zij het niet hierdoor - voor zoover dit in het middel mocht zijn bedoeld - dat het Hof niet ambtshalve het bewijs door getuigen aan den eischer heeft opgelegd, waaromtrent de rechter immers vrij is, noch ook omdat eischers aanbod van bewijs door getuigen in hooger beroep wel zou zijn herhaald, waaromtrent het Hof immers feitelijk anders heeft beslist. Doch ik acht op dezen grond de genoemde wetsvoorschriften door het Hof verkeerd te zijn toegepast, dat het aanbod van bewijs door getuigen in hooger beroep niet meer noodig was, daar het door eischer in eersten aanleg was gedaan en diens tweede grief in hooger beroep juist was, dat de Rechtbank ten onrechte dit bewijs niet had toegelaten. Deze grief had het Hof aan dit aanbod te toetsen om bij ongegrondbevinding haar te verwerpen, doch bij gegrondbevinding het vonnis in eersten aanleg te vernietigen en dan niet zelf het getuigenverhoor te houden - wat alleen te pas zou komen bij een voor het eerst in hooger beroep gedaan aanbod - doch de zaak hiertoe naar dezelfde (of een andere) Rechtbank te verwijzen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2a29115e3c9987614abe054cd1d187b7591adcc53ef175201acaf3d50353edb9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2a29115e3c9987614abe054cd1d187b7591adcc53ef175201acaf3d50353edb9, en de alinea staat in dat document op bytes 5439 tot 6688.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2a29115e3c9987614abe054cd1d187b7591adcc53ef175201acaf3d50353edb9 | shasum -a 256