Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936, ECLI:NL:PHR:1936:3.

II. door uit de in het arrest opgesomde en als bewezen aangenomen feiten bewijs af te leiden voor de stellingen van Amsterdam, dat bij [betrokkene 1] noch vroeger, noch bij afgifte der gelden, de wil heeft bestaan aan zijn broers en zusters, waaronder eischer in cassatie en diens rechtsvoorganger, „schenkingen" te doen èn door uit het feit, dat eischer in cassatie en zijn rechtsvoorganger in rechten zelf het standpunt hebben ingenomen, dat [betrokkene 1] verplicht was tot de reeds gedane en nog eventueele volgende uitkeeringen, aan te nemen (en) dat ook bij hen de wil tot het „ten geschenke" aannemen heeft ontbroken, het Hof van een onjuiste beteekenis van de rechtsbegrippen „schenking" of „gift van hand tot hand", zooals deze in art. 1703 en 1724 B. W. worden genoemd, is uitgegaan, waar vaststaat dat (althans het tegendeel niet door het Hof is beslist) de gelden om niet en onherroepelijk zijn afgestaan door [betrokkene 1] ten behoeve van eischer in cassatie en van zijn rechtsvoorganger, die dezelve hebben aangenomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e13d481badc827e8be0ecdecbfd18ab6a708e57dc818d9c6708d3852012f8694. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e13d481badc827e8be0ecdecbfd18ab6a708e57dc818d9c6708d3852012f8694, en de alinea staat in dat document op bytes 9368 tot 10423.