Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936, ECLI:NL:PHR:1936:3.

Blijkens hetgeen dienaangaande in het bestreden arrest onder de feiten wordt medegedeeld, heeft thans eischer, in eersten aanleg, voor zoover nog van belang, als verweer aangevoerd: „dat de bewuste acte van 9 December 1903, op grond waarvan [betrokkene 1] thans beweert de betalingen te hebben gedaan, slechts inhield een eenzijdige schenkingsbelofte en dat de gedane betalingen giften waren van hand tot hand, tengevolge waarvan de schenking perfect werd, ook al was de schenking niet in orde." Dit betoog meen ik, mede op grond van hetgeen de geëerde raadsman van eischer heeft aangevoerd bij pleidooi, waarbij immers werd uitgegaan van de als feitelijk aanvaarde beslissing van het Hof, dat [betrokkene 1] de betalingen heeft gedaan ter voldoening aan verplichtingen, welke hij bij voormelde akte op zich had genomen, aldus te mogen begrijpen, dat de, blijkens de zij het ook nietige akte bestaan hebbende, wil van [betrokkene 1] om te schenken, ook de later gevolgde overgifte van de uitgekeerde gelden aan zijne mede-erfgenamen dekte en daarmede aan de uitkeering van die gelden het karakter verleende van giften van hand tot hand, als bedoeld in art. 1724 B. W., welke ook door de begiftigden als een uitvloeisel der bij die akte gedane schenkingsbelofte werden aanvaard. Ik meen dan ook in het voorgestelde middel denzelfden, de drie onderdelen daarvan beheerschenden, gedachtengang te mogen bespeuren, nu onderdeel I aanvangt met de stelling, dat [betrokkene 1] door zich bij meerbedoelde notarieele akte te verbinden tot het uitkeeren van een deel der door hem te maken winst aan zijn broers en zusters, eene „schenking" zoude hebben gedaan. Zie ik dit juist, dan mist het middel echter m. i. in zooverre feitelijken grondslag. In de vijfde rechtsoverweging toch van het bestreden arrest, waarin wordt vooropgesteld, dat de verweerster in cassatie in het door haar te leveren bewijs, dat haar rechtsvoorganger ([betrokkene 1]) de bedragen heeft uitgekeerd ter afdoening van eene vermeende eigen schuld, welke niet bestond, volledig is geslaagd en uit het navolgende blijkt, dat [betrokkene 1] de betaling deed ter voldoening aan verplichtingen, welke hij bij de bewuste acte van 9 December 1903 op zich had genomen en welke acte nietig was, vervolgt het Hof: „dat toch uit den inhoud dezer acte duidelijk blijkt, dat de daarin vermelde verplichtingen door [betrokkene 1] op zich zijn genomen in verband met de toebedeeling aan hem van Westerloo en bijbehoorende landerijen, bij de scheiding van de nalatenschap van zijn vader [betrokkene 2]; „dat voorzegde acte tevoren is opgemaakt door een veel ouderen broer, die bij laatstgenoemde scheiding den minderjarige [betrokkene 1] heeft vertegenwoordigd; „dat de uitkeeringen, welke thans worden teruggevorderd, geheel in overeenstemming zijn uitgekeerd met de verdeeling, zooals deze volgens de acte zou plaats hebben;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e13d481badc827e8be0ecdecbfd18ab6a708e57dc818d9c6708d3852012f8694. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e13d481badc827e8be0ecdecbfd18ab6a708e57dc818d9c6708d3852012f8694, en de alinea staat in dat document op bytes 10790 tot 13688.