Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936

Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 1936, ECLI:NL:PHR:1936:3.

Het wil mij voorkomen, dat in voormelde overwegingen van het bestreden arrest zoo duidelijk mogelijk en wel gemotiveerd tot uitdrukking is gekomen 's Hofs oordeel, dat de acte van 9 December 1903 geenszins, zooals in het middel wordt beweerd, inhield eene schenking d.w.z. eene bevoordeeling van de mede-erfgenamen om niet en uit louter vrijgevigheid, doch integendeel eene verplichting, welke [betrokkene 1] op zich nam in verband met de vroeger plaats gehad hebbende scheiding en deeling, waarbij hem de bedoelde landerijen werden toebedeeld, zoodat ook ten tijde van het opmaken dier akte bij [betrokkene 1] niet de wil om te schenken geacht kan worden te hebben bestaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e13d481badc827e8be0ecdecbfd18ab6a708e57dc818d9c6708d3852012f8694. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e13d481badc827e8be0ecdecbfd18ab6a708e57dc818d9c6708d3852012f8694, en de alinea staat in dat document op bytes 14564 tot 15251.