Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juni 1941

Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 4 juni 1941

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juni 1941, ECLI:NL:PHR:1941:1.

Wat de rechtspraak aangaat merk ik nog op dat de Hooge Raad, naar mijn oordeel, zonder zulks met zooveel woorden te zeggen, bij arrest van 12 Februari 1877 (W. 4081) toch reeds beslist heeft, dat artikel 61 niet analogisch van toepassing is in dien zin, dat de onteigende recht heeft op de uitvoering van het werk volgens de ontwerpen der plannen. Het eerste onderdeel van het middel werpt de stelling op, dat onder het werk waartoe werd onteigend moet verstaan worden het werk in zijn geheel. Eens aannemend dat dit juist is, hadden dàn eischers moeten worden toegelaten tot het bewijs van het feit, dat ongeveer 14 H.A. van het geheele destijds onteigende complex, dat aan verschillende eigenaren toebehoorde, niet is gebruikt voor hetzelfde werk als waartoe de grond van eischers onteigend is. Die stelling komt dus hierop neer, dat een onteigende, wiens grond wel is gebruikt voor het gestelde doel, aan artikel 61 het recht tot terugvorderen zou kunnen ontleenen, wanneer achteraf bleek, dat aangrenzende hem niet toebehoorende terreinen, tegelijkertijd voor hetzelfde doel onteigend, niet worden gebruikt volgens de bestaande plannen, of scherper gezegd „voor het werk". Uit de in den aanvang besproken geschiedenis en strekking van artikel 61 der Wet, valt mijns inziens alleen af te leiden, dat men voor de toepassing deze bepaling moet nagaan of het werk als geheel is ten uitvoer gelegd, terwijl het er dan niet toe doet of het geheele werk tot stand kwam. Het Hof te Leeuwarden nu zegt in het bestreden arrest in rechtsoverweging 3, laatste zinsnede: „Bij eene onteigening als hier aan de orde is, van een uitgestrekt terrein van circa 60 H.A., ter uitvoering van een stedelijk uitbreidingsplan, laat zich toch gereedelijk denken, dat een gedeelte van het plan niet tot uitvoering komt. Maar dit mag niet tot de conclusie leiden, dat dan ook het werk, voor zoover het tot uitvoering kwam, niet tot stand is gebracht of zal worden gebracht, in den zin van artikel 61, want het is duidelijk, dat er daar van onnoodige onteigening geen sprake kan zijn.", en in rechtsoverweging 4, waar het Hof overneemt de overweging der Rechtbank: „dat dit bewijs den appellanten niet zou kunnen baten, omdat hetgeen zij hebben aangevoerd ten opzichte van het hier bedoelde terrein, dat gebezigd is voor het Academisch Ziekenhuis, ook al mocht dat juist zijn, niet heeft medegebracht eene mislukking van het plan van uitbreiding met betrekking tot het teruggevorderde perceel." Het Hof heeft hiermede feitelijk beslist, dat het werk, waarover deze procedure loopt, niet ondeelbaar geacht kan worden, waaruit naar mijn oordeel volgt, dat dit onderdeel van het middel niet tot cassatie kan leiden. Bij deze slotsom kan dus de vraag welke beteekenis het zou kunnen hebben, dat de deze zaak inleidende dagvaarding alleen spreekt over het aan eischers toebehoorende perceel, en slechts omstandigheden vermeldt van belang met betrekking tot dat terrein, mijns inziens gevoeglijk onbeantwoord blijven. Het tweede onderdeel behandelt de vraag in hoeverre er afwijking mag bestaan tusschen het werk waartoe onteigend werd, en het werk dat ten slotte op het onteigende terrein is tot stand gebracht, om toepassing van artikel 61 toe te laten of uit te sluiten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b86febe00b4dbf66b6ef4d298fe8e48fecd63cc45581c429a7b71ec14444f13d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b86febe00b4dbf66b6ef4d298fe8e48fecd63cc45581c429a7b71ec14444f13d, en de alinea staat in dat document op bytes 8679 tot 12063.