Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 december 1953
Alinea 7 Parket bij de Hoge Raad 22 december 1953
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 december 1953, ECLI:NL:PHR:1953:2.
Echter ik mag niet verhelen dat het geheel van Uw rechtspraak op de artt. 279 en 280 - wanneer men de letterlijke tekst der motiveringen mede daartoe rekent - mij geen zeer harmonisch geheel voorkomt. Enerzijds toch schijnen de reeds genoemde arresten van 2 Nov. 1903 en 16 April 1928 mij de strafbaarheid wel zeer sterk in te perken, wanneer inderdaad hun motivering de consequentie zou medebrengen dat mits het wettig gezag op dat moment niet feitelijk is uitgeoefend ook de meest ingrijpende maatregelen om het niet tot die uitoefening te laten komen - „doen onderduiken" van het kind en dergelijke - straffeloos zouden zijn. Anderzijds schijnt het mij wel een zeer ver uitgestrekte strafbaarheid, wanneer het op art. 280 gewezen arrest van 23 Febr. 1925, W. 11262, N. J. 1925, 609 schijnt mede te brengen dat ook een buitenstaander reeds strafbaar wordt door het enkele nalaten om desgevraagd aan de politie mede te delen wat hij weet en wat tot het opsporen van het kind kan bijdragen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea52422d134c051cd5030a522dcdefdaf57dcab70ebede7d711fae45e21945f7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea52422d134c051cd5030a522dcdefdaf57dcab70ebede7d711fae45e21945f7, en de alinea staat in dat document op bytes 5994 tot 6999.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea52422d134c051cd5030a522dcdefdaf57dcab70ebede7d711fae45e21945f7 | shasum -a 256