Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 1956

Alinea 7 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 1956

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 1956, ECLI:NL:PHR:1956:3.

Het tweede onderdeel van het middel gaat, als ik het wel versta, uit van de stelling als zou art. 279 Sr. de eis stellen, dat de dader moet hebben geweten, dat zijn daad bij de wet verboden en strafbaar was. Echter is de eis van een zodanig verzwaard opzet in bedoeld voorschrift niet te lezen. Dat bij req. elke schuld met betrekking tot de wederrechtelijkheid van haar handelen afwezig zou zijn geweest is in vorige instanties harerzijds niet beweerd en ook in cassatie wordt daarop geen beroep gedaan. De stukken welke voor kennisneming door Uw Raad in aanmerking komen leveren trouwens geen enkele aanwijzing op, dat zulks het geval zou zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ccba13ba09373dc60bb9b7aaccc14181d7a521a3e37728ea928222f32497ba2f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ccba13ba09373dc60bb9b7aaccc14181d7a521a3e37728ea928222f32497ba2f, en de alinea staat in dat document op bytes 6787 tot 7446.