Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958, ECLI:NL:PHR:1958:8.

Ik zie niet in, waarom iemand het medeplegen van moord door A en B niet zou kunnen uitlokken, als in rechte zou komen vast te staan, dat A en B gezamenlijk de moord zouden hebben gepleegd, daartoe bewogen door de belofte, dat zij A en B, geld zouden ontvangen, als een hunner, die dan ook, de moord zou begaan. Deze grief, zoals ik dezelve meen te verstaan kan ik niet voor doeltreffend houden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb, en de alinea staat in dat document op bytes 14833 tot 15240.