Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958, ECLI:NL:PHR:1958:8.

Het bewezene, dat requirante en [medeverdachte] "tezamen en in vereniging ...... door het verschaffen van middelen opzettelijk te hebben uitgelokt, hetwelk hierin bestond, dat .... een van hen, verdachten opzettelijk een. .. .. . revolver met patronen aan .... [betrokkene 1] ter hand heeft gesteld" behoeft m.i. geen tegenstrijdigheid te bevatten, als men de terhandstelling van de revolver met patronen als een voltooiingshandeling opvat en aanneemt, dat met "te zamen en in vereniging ...... door het verschaffen van middelen opzettelijk hebben uitgelokt" tot uitdrukking brengt, dat requirante en [medeverdachte] gezamenlijk en rechtstreeks het feit der uitlokking hebben gepleegd. Naar ik meen valt uit H.R. 17 mei 1943, N.J. 1943, no. 576, af te leiden dat in een dergelijk geval in het midden gelaten kan worden, wie de voltooiingshandeling heeft verricht. Aldus beschouwd zou de bewezenverklaring niet innerlijk tegenstrijdig zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb, en de alinea staat in dat document op bytes 15588 tot 16540.