Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958, ECLI:NL:PHR:1958:8.

Middel VI , onderdeel 4 , stelt, dat uit geen der bewijsmiddelen blijkt, dat tussen requirante en [medeverdachte] de afspraak is gemaakt, dat deze de revolver aan [betrokkene 1] ter hand zou stellen M. I. kan uit de bewezen nauwe samenwerking tussen requirante en [medeverdachte] betreffende het aanschaffen van de revolver en het overhandigen waarvan door requirante aan [medeverdachte] korte tijd voordat de moord begaan werd, worden afgeleid, dat ook de overhandiging van de revolver met patronen door [medeverdachte] aan [betrokkene 1] een uitvloeisel was van en berustte op de zich eerder gemanifesteerd hebbende samenwerking tussen requirante en [medeverdachte] , welke gericht was op het uit de weg ruimen van [slachtoffer] .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb, en de alinea staat in dat document op bytes 16546 tot 17373.