Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958, ECLI:NL:PHR:1958:8.

Al zijn, naar het Hof m.i. mocht aannemen, de toezeggingen van geld, door [medeverdachte] gedaan, wel relevant geweest met betrekking tot het tot standkomen van het feit der uitlokking, deze uitlokking werd een voldongen feit door de doorslaggevende toezegging van requirante aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 19 augustus 1956. Het wil mij voorkomen, dat de plaats en tijd, waarop dit - voor de uitlokking - cardinale moment plaats vond, mede bepalend mag en mocht worden geacht voor de door [medeverdachte] gedane beloften, welke overigens, naar uit de opgaven van [betrokkene 1] kan worden afgeleid, zijn geschied in de periode van 24 juni tot eind juli 1956.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb, en de alinea staat in dat document op bytes 26087 tot 26843.