Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958, ECLI:NL:PHR:1958:8.
Dat, - zoals in middel VI, onderdeel 8 , wordt aangevoerd - niet uit de bewijsmiddelen zou blijken, dat [betrokkene 2] het slachtoffer [slachtoffer] op het hoofd heeft geslagen, lijkt mij een bewering, die m.i. weerlegd wordt door de verklaring van [betrokkene 2] , dat hij [slachtoffer] met een gummistok heeft geslagen, en door de verklaring van de deskundige J. L.H.A. Hollman, inhoudende de o.m., dat hij bij het openen van de schedelhuid een onderhuidse bloeduitstorting rechts in de slaapstreek en in de rechterslaapspier zelf had aangetroffen en voorts een bloeduitstorting in de hals bij de onderkant, welke laesies, naar hij, Hollman, mogelijk achtte, door harde slagen waren veroorzaakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb, en de alinea staat in dat document op bytes 26849 tot 27634.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb | shasum -a 256