Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958, ECLI:NL:PHR:1958:8.

Middel VI brengt in onderdeel 9 de samenstelling van het bewijs van het principale feit, de moord op [slachtoffer] , ter sprake. Het Hof verklaarde met zoveel woorden bewezen, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] deze daad te zamen en in vereniging hebben bedreven "ter uitvoering van hun na kam beraad en rustig overleg tevoren genomen besluit en beraamd plan om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven." Het bewijs van deze voorbedachte raad kon m.i. alleszins geput worden uit de als bewijsmiddelen gebezigde getuigenissen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , met name uit: 1) hun opgave, dat zij, na op 19 augustus 1956 van requirante vernomen te hebben, dat zij ieder f. 20.000 zouden krijgen, als de moord op haar man doorging, besloten waren om gezamenlijk de moord op [slachtoffer] te plegen; 2) de opgave van [betrokkene 2] , dat hij in de avond van de 19de augustus 1956 met [betrokkene 1] had besproken, dat de moord op 23 augustus 1956 zou moeten gebeuren;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb, en de alinea staat in dat document op bytes 27640 tot 28718.