Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958
Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1958, ECLI:NL:PHR:1958:8.
In verband met de weerlegging van een door de raadsman van [medeverdachte] in appèl opgeworpen verweer overweegt het Hof: "dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , ter terechtzitting van het Hof als getuigen gehoord, hebben verklaard dat zij, toen zij op 25 augustus 1956 het Huis van [slachtoffer] binnendrongen, van plan waren veranderd en op dat ogenblik nog uitsluitend beoogden [slachtoffer] bewusteloos te slaan, teneinde hem van zijn geld te beroven en het plan om hem bij mislukking daarvan dood te schieten hadden laten varen, doch het Hof aan deze, zozeer met het op de trap in de woning van [slachtoffer] door [betrokkene 1] in de rechterhand houden van de revolver - vide zijn hierboven weergegeven verklaring ter terechtzitting van het Hof - en evenzeer met hunne eerder, in het bijzonder aan de Rechter- Commissaris afgelegde, onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen in strijd zijnde beweringen geen geloof vermag te hechten en deze dan ook voor zijne beslissing omtrent het aan verdachten [requirante] en [medeverdachte] te laste gelegde, verder buiten beschouwing kan laten; dat het Hof, in het verband van evenbedoelde, door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de Rechter-Commissaris afgelegde verklaringen er zich rekenschap van heeft gegeven, in hoeverre deze van belang zouden kunnen zijn voor de beslissing omtrent het bewezen zijn van het ten aanzien van verdachten [requirante] en [medeverdachte] in de telastelegging primair gestelde en wel omdat twijfel zoude kunnen rijzen over de vraag, of datgene, wat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] volgens meerbedoelde verklaringen tenslotte ingevolge op 19 augustus 1956 tussen hen gemaakte afspraak op 25 augustus 1956 zouden hebben beoogd - en waarbij zij zich van de oorspronkelijke opzet min of meer zouden hebben gedistantieerd, en datgene wat zij toen hebben uitgevoerd, wel overeenstemt met hetgeen bij verdachten [requirante] en [medeverdachte] bij hun uitlokking heeft voorgezeten; dat het Hof de hierbedoelde, laatste afspraak tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet opvat als een opgeven, doch veeleer als een voortzetten van het eerder met verdachten [requirante] en [medeverdachte] beraamde pan, in dier voege, dat uitsluitend dàn van het doodschieten van [slachtoffer] zou worden afgezien, indien het zou gelukken op andere wijze (namelijk door bewusteloos slaan) een grote som geld machtig te worden".
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb, en de alinea staat in dat document op bytes 30990 tot 33399.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e64fd15ada74b29f5dcee233dbe107372b4ee4893ae690d3dd4b11ab1bc639eb | shasum -a 256