Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 1960

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 9 februari 1960

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 1960, ECLI:NL:PHR:1960:3.

Dresen, t.a.p. pag. 219, meent in de arresten H.R. van 24 oktober 1932 (W. 12580) en 31 oktober 1938 (N.J. 1939, no. 206) steun te vinden voor de mening, dat Uw Raad een gemeenteverordening wèl accepteert, wanneer er geen enkele aanwijzing bestaat, dat het verlof geweigerd kan worden op grond van het oordeel van het orgaan, dat aangewezen is het verlof te verlenen, omtrent de inhoud en de strekking der gedrukte stukken. M.i. is het geenszins verantwoord deze beide arresten in te roepen ter staving van de juistheid van de opvatting, dat Uw Raad onder het voorafgaand verlof als bedoeld in art. 7 der Grondwet zou verstaan: een verlof dat censuur beoogt of mogelijk maakt. Beide laatstgenoemde arresten kunnen toch zeer wel beschouwd worden als uitzonderingen op de leer, neergelegd in de voormelde arresten van 1892 en 1896. Daarenboven kan men de vraag stellen, of de beide verordeningen, welke in de arresten van 1932 en 1938 ten toetse kwamen (art. 138 Verordening op de Straatpolitie van Rotterdam en art. 1 der Reclameverordening van Noord-Brabant), wel betrekking hebben op de verspreiding van een geschrift, d.w.z. op het in omloop brengen van een geschrift, dan wel het bekend maken van de inhoud van het geschrift aan een bredere kring van personen. De Rotterdamse verordening toch verbiedt niet de verspreiding zelve, doch het roepen of het met reclamemiddelen rijden, gaan of staan ‘’ ter verspreiding , aanbeveling, aankondiging of bekendmaking van gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen". Het geval waarin de Provinciale Reclameverordening werd toegepast, betrof m.i. geen voortbrengsel van de drukpers, doch een op twee plaatsen op een landbouwschuur geschilderd geel veld, waarop met zwarte letters stond vermeld: ‘’Weijers, O.J."; terecht was m.i. de advocaat-generaal Rombach van gevoelen, dat het verband tussen de reclameverordening en art. 7 der Grondwet gezocht was. In ieder geval zou ik uit deze beide laatstgemelde arresten niet durven afleiden, dat de Hoge Raad, met afwijking van de opvatting, neergelegd in het arrest van 23 maart 1896, van oordeel is, dat een voorschrift, waarbij een zelfstandig verspreidingsmiddel in al zijn modaliteiten van een voorafgaand verlof der overheid afhankelijk wordt gesteld, op zijn motieven is te toetsen en te beoordelen naar de strekking van het voorafgaande verlof.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2c0b190851573e354417fbdf5fba9bdd210d2d2411a9b17204d66a66210cda9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2c0b190851573e354417fbdf5fba9bdd210d2d2411a9b17204d66a66210cda9c, en de alinea staat in dat document op bytes 16904 tot 19343.