Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 1960

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 9 februari 1960

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 1960, ECLI:NL:PHR:1960:3.

Beschouwt men art. 2 der Beschikking als een voorschrift, dat de boekverkoop beperkt, dan zou dit voorschrift m.i. onverenigbaar zijn met art. 10, tweede lid, van het Tractaat, omdat het tweede lid, waarvan de tekst in het voorgaande werd medegedeeld, niet toelaat, dat de vrijheid van meningsuiting wordt beknot door wettelijke voorschriften, die in een democratische samenleving nodig zijn ter bevordering, en derhalve in het belang, van een goede bedrijfsuitoefening. Weliswaar zou men wellicht in twijfel kunnen trekken, of de opsomming der restricties van art. 10, tweede lid, wel limitatief is, doch naar mijn mening wijzen de artikelen 15, eerste lid, 17 en 18 van het Tractaat uit, dat er geen reden is voor deze twijfel. Met name verzet de uitleggingsclausule van art. 17 zich ertegen de opsomming der — zie ik wèl — negen restricties van art. 10, tweede lid, als een enuntiatieve op te vatten: geen der bepalingen van het Tractaat mag immers zo worden uitgelegd, als zou zij aan een staat, een groep of een persoon het recht geven enige daad te verrichten, welke ten doel heeft de in het verdrag erkende rechten en vrijheden meer te beknotten dan bij het verdrag is voorzien. Uit art. 64 van het Tractaat zou men wellicht nog kunnen opmaken, dat de Nederlandse Regering, als Verdragsluitende Partij, thans met betrekking tot art. 10 van het Tractaat geen voorbehoud meer kan maken, als bedoeld in art. 64. Met de geëerde raadsman, die voor de gerequireerde het woord heeft gevoerd, zou ik derhalve menen, dat de toepassing van art. 2 der Beschikking (hetwelk de bedrijfsmatige boekverkoop in al zijn vormen, zij het ook met erkenning van de zgn. historische rechten en met de mogelijkheid van een — overigens door het Tractaat zelve niet toegestane — vergunning verbiedt) niet verenigbaar schijnt met art. 10 van het Tractaat. Aan de door de geachte raadsman geciteerde litteratuur zij nog toegevoegd de monografie van Cl. Weisz, Die Europäische Konvention zum Schutze der Menschenrechte und Grundfreiheiten, 1954, alwaar men leest, dat de Conventie ‘’mit kasuistischer Genauigkeit" omschrijft wat de afzonderlijke artikelen behoren te waarborgen en wat niet. (p. 11, waarmede te vergelijken p. 22).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2c0b190851573e354417fbdf5fba9bdd210d2d2411a9b17204d66a66210cda9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2c0b190851573e354417fbdf5fba9bdd210d2d2411a9b17204d66a66210cda9c, en de alinea staat in dat document op bytes 24391 tot 26628.