Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 1963
Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 1 november 1963
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 1963, ECLI:NL:PHR:1963:1.
Door dit cassatieberoep wordt een vraag aan de orde gesteld van niet geringe actualiteit, die hier te lande nog geen grote aandacht uit Juridisch oogpunt heeft gevonden, maar die in Duitsland reeds tot een zeer omstreden jurisprudentie van het Bundesgerichtshof heeft geleid, waarvan dit beroep als de weerklank kan gelden. Haar uitgangspunt is het verschijnsel, dat auto’s, waarbij na een ongeval van enige betekenis alle defecten, die zich laten vaststellen, afdoende gerepareerd zijn, niettemin regelmatig aan ruilwaarde belangrijk blijken te hebben ingeboet. Eerst sinds niet zo lange tijd heeft dit verschijnsel voldoende de aandacht getrokken om tot het aanvoeren van een afzonderlijke schadepost bij gedingen tot vergoeding te leiden, welke post vrij algemeen erkenning heeft gevonden. Nog later pas is men de juistheid van die erkenning in twijfel gaan trekken en dat op deze grond, dat niet zelden de eigenaar, die uit dezen hoofde vergoeding ontvangt, de auto waarom het gaat blijft gebruiken, wat medebrengt, dat deze na weinige jaren tengevolge van de waardedaling, die zij in ieder geval ondergaat, niet of nauwelijks minder waard is dan zij zonder het ongeval op dat laatste tijdstip waard zou zijn geweest, zodat men minst genomen de vraag kan opwerpen, of niet de eigenaar, achteraf bezien, zonder grond een voordeel heeft genoten (in deze geest bij ons, zover mij bekend voor het eerst Rb. Breda, 27 april 1954, niet gepubliceerd, in de pleitnota van pleiter voor eischer weergegeven). In Duitsland heeft nu het Bundesgerichtshof bij zijn arrest van 29 april 1958, Entsch. Ziv.Band 27, blz. 181 Neue Juristische Wochenschrift 1958, blz. 1085 aangenomen, dat hieruit de gevolgtrekking moet worden gemaakt, dat deze schade alleen vergoed behoort te worden, wanneer de eigenaar de auto na het lijden van de schade heeft verkocht (en dan tengevolge van het ongeval een geringere opbrengst heeft verkregen dan op datzelfde tijdstip het geval zou zijn geweest, indien het ongeval was uitgebleven) of deze loop van zaken binnen afzienbare tijd te verwachten is. Wanneer beide niet het geval is, zal slechts een “Feststellungsurteil” mogelijk zijn: dat de gedaagde verplicht is de schade te vergoeden, die langs deze weg nog zal blijken te ontstaan. Deze beslissing heeft vrij veel kritiek ondervonden, waaronder die van Esser, Monatschrift für Deutsches Recht 1958, blz. 726 (waar men de voorafgaande literatuur op ruime schaal vindt aangehaald) door het gezag van de auteur wel de voornaamste is. Hierop is bij arrest (van dezelfde, VIe “Zivilsenat”) van 3 oktober 1961, Entsch. Ziv., Band 35, blz. 396, een omslag in de leer van het Hof gevolgd. Bij dit arrest aanvaardt het als algemene regel vergoeding van de hier bedoelde schade op deze grond dat onmiddellijk na het ongeval een kapitaal schade van die grootte in ieder geval bestaat. Het thans bestreden arrest heeft dezelfde leer toegepast. De eiser tot cassatie daarentegen zoekt aansluiting bij het arrest van 1958.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe51322d4207853b5d39e9e4676a68174f07041c825055e71d601060b2abf1eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe51322d4207853b5d39e9e4676a68174f07041c825055e71d601060b2abf1eb, en de alinea staat in dat document op bytes 4261 tot 7270.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fe51322d4207853b5d39e9e4676a68174f07041c825055e71d601060b2abf1eb | shasum -a 256