Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 maart 1963

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 29 maart 1963

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 maart 1963, ECLI:NL:PHR:1963:4.

Bij de door deze factoren bepaalde probleemstelling zou ik het antwoord voor juist houden, dat eiser tot cassatie op het probleem gegeven wilde zien. Wel kan ik toegeven, dat zuiver logisch beschouwd voor beide mogelijke antwoorden even veel te zeggen is. Men kan - nog altijd zuiver logisch - even goed aanvaarden, dat de regeling, die het wetboek geeft voor verborgen gebreken, afgezien ervan of daaromtrent een bepaald beding is gemaakt, toepasselijk is, nu het een zodanig gebrek betreft, als dat zij niet toepasselijk, nu wél een uitdrukkelijk beding gemaakt is. De overwegingen, die mij doen kiezen ten gunste van de laatste opvatting zijn deels ontleend aan de geschiedenis van de wettelijke regeling der vrijwaring wegens verborgen gebreken en meer nog aan de strekking, die men aan deze regeling redelijkerwijze moet toeschrijven, nu ten aanzien van de vraag waarom het gaat niet van een door de wetgever bewustelijk beoogde strekking blijkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d34487d01770b7f2fffc5259e98fff7fc647c8ece4a37e85b0f0c53459c40c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d34487d01770b7f2fffc5259e98fff7fc647c8ece4a37e85b0f0c53459c40c9, en de alinea staat in dat document op bytes 6492 tot 7457.