Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 maart 1963

Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 29 maart 1963

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 maart 1963, ECLI:NL:PHR:1963:4.

De aansprakelijkheid van de verkoper voor verborgen gebreken is in verschillende opzichten beperkter dan die van de schuldenaar voor ondeugdelijke praestatie in het algemeen. Van die beperkingen is de zeer korte termijn, waarbinnen de actie moet worden ingesteld, het punt dat ook in dit geding aan de orde is, wel de voornaamste. Men kan een ratio voor deze beperkingen moeilijk anders dan hierin zoeken, dat hier de verkoper uit hoofde van het enkele gesloten zijn van een koopovereenkomst wordt aansprakelijk gesteld voor wellicht grote schade medebrengende gebreken, die hij niet heeft kunnen voorzien, ja waarmee partijen wellicht zelfs niet als mogelijk rekening hebben gehouden. Er is, als men van deze ratio uitgaat, geen reden te zien om dezelfde geprivilegieerde behandeling toe te kennen aan een verkoper, die welbewust voor de afwezigheid van een gebrek heeft ingestaan. Hij moge nog zozeer van de afwezigheid ervan overtuigd geweest zijn, hij wist een beding te maken, waarvan de strekking was dat het risico van juist dat gebrek op hem zou rusten. Voor de grond van zijn aansprakelijkheid is de garantie, die hij op zich nam, beslissend en niet de wettelijke regeling, hoezeer het gebrek waarom het gaat op zichzelf onder die regeling had kunnen vallen. Van een "bevestiging van een wettelijk vermoeden", zoals pleiter voor verweerder zich uitdrukte, zou ik hier niet willen spreken. Men zal, zo lang geen bijzondere redenen - waarvan in dit geval geen sprake is - in andere richting wijzen, moeten aannemen, dat een uitdrukkelijk beding gemaakt is met de strekking om opzichzelf werking te hebben, niet enkel om een reeds uit kracht der wet geldende regeling te bevestigen. Ook zie ik - dit ten overvloede, want verweerder heeft het tegendeel niet betoogd - hier generlei element van openbare orde, dat tengunste van de wettelijke regeling zou spreken. Het arrest van 8 maart 1929, N.J. 1929, blz. 1387, waar Uw Raad deze term gebruikt, betreft een middel, waardoor de toenmalige eiser, los van enig beding, de termijn van artikel 1547 probeerde te verzwakken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d34487d01770b7f2fffc5259e98fff7fc647c8ece4a37e85b0f0c53459c40c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d34487d01770b7f2fffc5259e98fff7fc647c8ece4a37e85b0f0c53459c40c9, en de alinea staat in dat document op bytes 8294 tot 10382.