Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 oktober 1966

Alinea 17 Parket bij de Hoge Raad 20 oktober 1966

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 oktober 1966, ECLI:NL:PHR:1966:AB6689.

De vraag, of de door de President uitgesproken veroordeling naar haar aard een voorziening bij voorraad is als bedoeld in art. 289 Rv. is m.i. in bevestigende zin te beantwoorden, omdat de oorspronkelijke gedaagde is veroordeeld tot het verrichten van een handeling en, naar het gezaghebbend oordeel van Meijers, uitspraken ‘’waarbij de gedaagde veroordeeld wordt een handeling te verrichten of na te laten, zoogenaamde condamnatoire beslissingen steeds als voorzieningen bij voorraad aangemerkt (kunnen) worden’’, zulks slechts met deze beperking ‘’dat de eischer op de door hem gevorderde prestatie, als iets, wat hem volgens het recht toekomt, aanspraak moet maken, of dat het gevorderde ter bescherming dient van hetgeen waarop hij recht heeft’’, o.c. p. 40. Volgens de inleidende dagvaarding maakt de eiser aanspraak op een prestatie als door de gedaagde krachtens overeenkomst aan hem, eiser, verschuldigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b35fc8ff3d66dcf14181ddf0def4fe911ffa491d269563920edc311644c525b2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b35fc8ff3d66dcf14181ddf0def4fe911ffa491d269563920edc311644c525b2, en de alinea staat in dat document op bytes 11782 tot 12723.