Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1968

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1968

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC4232.

De wet onderscheidt immers, in art. 46a, lid 1, K., de personen, die de nietigheid van een besluit van een algemene vergadering van aandeelhouders kunnen inroepen, in aandeelhouders en in derden-belanghebbenden. Daaruit volgt wel dat derden, die de nietigheid van zulk een besluit inroepen, daarbij belang moeten hebben, maar dat ook aandeelhouders, die de nietigheid inroepen, daarbij belang moeten hebben valt, althans naar ik zou menen, stellig niet uit art. 46a K. af te leiden. En zou de aandeelhouder belang moeten hebben bij het inroepen der nietigheid, dan ware met Verdam, Nietigheid van besluiten (1940), p. 184, te oordelen, dat in art. 46a iedere aandeelhouder wordt aangewezen als ‘’belanghebbende jure suo’’, en dat het belang, hetwelk iedere aandeelhouder jure suo heeft, reeds is: het belang bij de naleving van wet en statuten. Naar analogie van art. 46a K. ware in dezelfde zin te oordelen waar het andere vergaderingen van aandeelhouders dan algemene vergaderingen betreft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e4b79a21389cd44da2ffc39e6cc402d42034dc782d59bf50a7e3246c595cf53e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e4b79a21389cd44da2ffc39e6cc402d42034dc782d59bf50a7e3246c595cf53e, en de alinea staat in dat document op bytes 8822 tot 9874.