Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1968

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1968

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC4232.

Bij het arrest van 8 jan. 1965, N.J. 1965, no. 162, n. PHS, heeft de Hoge Raad als regel erkend dat de rechter in hoger beroep zich heeft te bepalen tot de beoordeling van de gegrondheid van de hem voorgelegde grieven. De draagwijdte van deze regel beperkt Uw Raad tot ‘’de gewone procedure’’. Is daarmede bedoeld een eigenlijk rechtsgeding (uitdrukking die ik ontleen aan art. 868 Rv.), en zou Uw Raad met mij van oordeel zijn dat het onderhavige geding zich heeft ontwikkeld tot een eigenlijk rechtsgeding, dat gevoerd is tussen partijen, dan had de Rechtbank niet mogen treden in een beoordeling van het ‘’formele’’ bezwaar, bedoeld in o.v. 15 van haar beschikking, maar dan had zij zich moeten bepalen tot de beoordeling van de vijf appelgrieven, waaraan zij meende te mogen voorbijgaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e4b79a21389cd44da2ffc39e6cc402d42034dc782d59bf50a7e3246c595cf53e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e4b79a21389cd44da2ffc39e6cc402d42034dc782d59bf50a7e3246c595cf53e, en de alinea staat in dat document op bytes 14848 tot 15669.