Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 mei 1973

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 11 mei 1973

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 mei 1973, ECLI:NL:PHR:1973:AC5347.

Waar volgens de Rechtbank in hoger beroep de vordering van verweerders uitsluitend beoordeeld dient te worden voor zover daaraan de voormelde stelling van [eiser] ten grondslag ligt, had zij deze vordering niet toewijsbaar mogen achten en mogen toewijzen zonder te hebben vastgesteld dat tussen partijen is overeengekomen, dat verweerders aan [eiser] ontheffing verlenen uitsluitend tot het ankeren op de gronden van verweerders voor een vijftiental boten tegen een jaarlijkse betaling van f 250,-- per tijdvak van 1 mei tot 1 mei. Meent de Hoge Raad dat deze klacht genoegzaam tot uitdrukking komt in onderdeel 7 en dat deze klacht grond kan zijn voor cassatie, dan treft onderdeel 7 doel. Ik zou menen dat in deze zaak alle aanleiding is dit onderdeel gegrond te bevinden, ten eerste omdat [eiser] bezwaarlijk kon bevroeden dat de appelrechter de vordering van verweerders, ook de toewijsbaarheid daarvan, uitsluitend zou beoordelen voor zover daaraan de meergemelde stelling van verweerders ten grondslag ligt, en, ten tweede , omdat [eiser] zich in appel tegen deze stelling niet heeft kunnen verweren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9714e90f74416abc8c81e6c4fc8d9a6c1ccb8cee39a854d5dde1cd55a2c8dadf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9714e90f74416abc8c81e6c4fc8d9a6c1ccb8cee39a854d5dde1cd55a2c8dadf, en de alinea staat in dat document op bytes 28107 tot 29339.