Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 februari 1973

Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 16 februari 1973

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 februari 1973, ECLI:NL:PHR:1973:AD7415.

Vooropgesteld zij, dat in cassatie niet is betwist, dat de ten processe bedoelde minimumtarieven in 1954 zijn vastgesteld mede met de bedoeling om de vervoerders tegen te sterke onderlinge concurrentie te beschermen alsook dat [eiseres] lagere tarieven in rekening heeft gebracht dan de wettelijk vastgestelde minimumtarieven. Met het Hof zou ik willen oordelen, dat in het algemeen het enkele feit, dat overtreding van een wettelijk voorschrift algemeen gangbaar is, aan die overtreding het onrechtmatig karakter niet ontneemt. Ook al zou de overheid aan naleving van de overtreden wetsbepaling niet meer de hand houden (door het achterwege laten van strafrechtelijke vervolging) en ook al zou de wetgever (zoals [eiseres] heeft gesteld) in een op de Benelux betrekking hebbende tarievenregeling een aan de door [eiseres] gestelde usance aangepaste regeling hebben neergelegd dan laat zulks, naar mijn voordeel, onverlet de onrechtmatigheid van de hier aan de orde zijnde normovertreding. Weliswaar heeft de geëerde pleiter voor [eiseres] te dezen een beroep gedaan op H.R. 3 maart 1972 (N.J. 1972 no. 339 i.z. La Confiance ca. Maring), waarin Uw Raad heeft overwogen: ‘’dat, waar aldus niet alleen de praktijk, maar ook de wetgever zich op het standpunt heeft gesteld, dat de artt. 288 en 289 (van het Wetboek van Koophandel, noot onderget.), voor zover zij zich tegen dergelijke verzekeringen (d.z. brandverzekeringen tot de volle herbouwwaarde, noot onderget.) verzetten, hun kracht hebben verloren, daarop ook voor de rechter geen beroep meer kan worden gedaan’’, doch voor een parallel met de onderhavige zaak is geen plaats, omdat het arrest betrof een verbintenisrechtelijk voorschrift, terwijl in casu een strafrechtelijk voorschrift aan de orde is en voorts thans ten processe niet is gesteld of gebleken, dat de wetgever enigerlei aan de onderhavige tariefbeschikking contraire beschikking heeft gegeven tijdens de gelding van die beschikking. In dit verband zij nog gewezen op de in art. 111, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen gegeven mogelijkheid tot ontheffing ten behoeve van afzonderlijke ondernemers of groepen van ondernemers van de voorgeschreven tarieven. Zolang deze ontheffing niet is verleend, moet handhaving van de gestelde norm de wil van althans de wetgever worden geacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bf2cff0b6ac53f2737036041c3774c563153fbb5d831bbdfe53179131b0c9587. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bf2cff0b6ac53f2737036041c3774c563153fbb5d831bbdfe53179131b0c9587, en de alinea staat in dat document op bytes 7228 tot 9576.