Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 januari 1975

Alinea 17 Parket bij de Hoge Raad 15 januari 1975

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 januari 1975, ECLI:NL:PHR:1975:AX4065.

Bij Wet van 27 juli 1918, Staatsblad 504, werd o.m. het waardebegrip van de vermogensbelasting opnieuw geregeld. In het wetsontwerp dat de eerste aanzet daartoe vormde (Bijlagen, 1914-1915 - 295, nr. 2), werd in art. 7 VB '92 aan de Successiewet (1859) de waardebepaling naar de verkoopwaarde ontleend. De memorie van toelichting (nr. 3, blz. 6, linkerkolom, 3e al.) gaf o.m. te kennen: "Dat de fabrieken, magazijnen en bergplaatsen bij de bepaling van hunne verkoopwaarde in verband met hunne bestemming, dus als onderdeelen van het bedrijf, moeten worden geschat, lijdt bij den ondergetekende geen twijfel. Deze waarde is toch een factor voor de beoordeeling van het vermogen van den aangever, m.a.w. van de draagkracht, die uit het bezit daarvan voortvloeit." "Naar aanleiding hiervan werd door sommigen aangevoerd, dat met die omschrijving geen voor toepassing vatbaar begrip wordt aangegeven. Eene oude schuur kan als onderdeel van een bedrijf eene hooge waarde hebben, omdat zij voor de uitoefening daarvan niet gemist kan worden, terwijl toch de verkoopwaarde zeer gering is. Gaat men eerstbedoelde waarde als maatstaf nemen, dan zou men in lijnrechten strijd komen met de draagkrachttheorie. Ook zou dan de waarde van de hier bedoelde gebouwen veel hooger geschat worden wanneer het bedrijf goed dan wanneer het slecht gaat. Met de uitkomsten van het bedrijf rekening houdende bij de waardebepaling, zou men eene extra-bedrijfsbelasting in de vermogensbelasting opnemen. Andere leden waren eveneens van meening, dat bij de bepaling der verkoopwaarde de toestand van het bedrijf niet in aanmerking mag komen. Zij voerden hiervoor aan, dat het bedrijf kan achteruitgaan of ophouden kan loonend te zijn, wanneer het gebouw in andere handen overgaat. Deze leden zouden de liquidatiewaarde, dat is de waarde; die men voor het gebouw bij verkoop zou kunnen verkrijgen, als maatstaf willen bezigen. ...Toen naar aanleiding van deze beschouwing werd aangevoerd, dat bij de waardebepaling met het bedrijf in het geheel geen rekening mag worden gehouden, omdat niet het bedrijf, maar de eigenaar van het gebouw moet worden belast, antwoordde men, dat het niet zou aangaan de waardebepaling los te maken van elk verband met het bedrijf. Waardeering van werktuigen, magazijnsopstanden enz. in verband met het in het gebouw uitgeoefende bedrijf, is echter niet hetzelfde als het in rekening brengen van den toestand, waarin dat bedrijf op het oogenblik der waardeering verkeert, en dus de waarde te doen afhangen van den bloei, de clientèle, enz. van het bedrijf. Hiermede rekening te houden, zou ook de Minister, naar de meening dezer leden, wel niet bedoeld hebben." (voorlopig verslag, nr. 5, blz. 30, linkerkolom, laatste al., rechterkolom, 2e al.)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/48541fe4deb05886b0b62f828bfc6c2c23dcc1045a9a12f918faaf0ce5bff0e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 48541fe4deb05886b0b62f828bfc6c2c23dcc1045a9a12f918faaf0ce5bff0e9, en de alinea staat in dat document op bytes 11352 tot 14113.