Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 januari 1975

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 15 januari 1975

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 januari 1975, ECLI:NL:PHR:1975:AX4065.

Bij de voorbereiding van de Successiewet 1956 vond men aanleiding de problematiek nader te regelen. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp (Bijlagen Tweede Kamer, 1948 - 915, nr. 3) werd opgemerkt: "Een tot het vermogen van een erflater behorende "goodwill", welke aan de erfgenamen toevalt, werd ...in strijd met de economische werkelijkheid buiten het bereik van de heffing geplaatst. heeft gemeend, voor de toekomst aan (deze opvatting) elke rechtsgrondslag te moeten ontnemen door in artikel 21 bij de schattingsvoorschriften het begrip "zaak" implicite te verruimen" (blz. 2, 2e al.). In art. 21, onder I, g, van het ontwerp (nr. 2) werd daartoe een waarderingsvoorschrift gegeven voor alle niet afzonderlijk genoemde "zaken en andere vermogenswaarden, geen zaken zijnde in de zin van het Burgerlijk Wetboek, zoals b.v. goodwill". In het voorlopig verslag (1949-1950, nr. 4) maakte "Het merendeel der commissie (voor de de ondergetekende Belastingen) ... voorshans bezwaar tegen de heffing van successierecht van de waarde van een krachtens erfrecht overgegane goodwill" (par. 2, 2e al.). In de memorie van antwoord (1953-1954, nr. 5) komen de bewindslieden "terug van het voorstel inzake de belasting van de goodwill. Zij achten evenwel termen aanwezig tot het opnemen van een bepaling welke de mogelijkheid uitsluit dat de erfgenamen de waardering van de zaken die tot een bedrijfs- of beroepsvermogen behoren zouden doen plaatsvinden met verwaarlozing van het feit dat die zaken deel uitmaken van evenbedoeld vermogen" (blz. 4, 1e al.). Bij nota van wijzigingen (nr. 6, onder XV, 3 en 4) werd de redactie van art. 21, onder I, g, beperkt tot "zaken, alsmede vergunningen en aanspraken, welke geen zaken zijn in de zin van het Burgerlijk Wetboek" en werd in art. 21, onder I, een nieuwe tweede alinea toegevoegd: "Indien zaken behoren tot een beroeps- of bedrijfsvermogen, wordt het geheel dier zaken ten minste gesteld op de prijs, welke een gegadigde, die voornemens zou zijn het beroep of bedrijf voort te zetten, voor de overneming van die zaken zou moeten besteden." (Ik vestig er de aandacht op, dat in het vervolg van de parlementaire behandeling deze alinea. meermalen is aangeduid als de tweede alinea van letter g; uit de redactie van de nota van wijzigingen blijkt echter ondubbelzinnig, dat het de tweede alinea is van het gehele onderdeel I.) Blijkens het verslag (nr. 10, punt 10) werd nog gevraagd: "Wordt in deze bepaling niet tevens de goodwill belast?", waarop het antwoord luidde, "dat het ontworpen voorschrift beoogt, bij de waardebepaling de economische realiteit zo goed mogelijk te benaderen door rekening te houden met het feit, dat de nagelaten zaken tot een bedrijf behoren, dus als een bijeenbehorend complex zijn te beschouwen. Belast wordt dan het bedrag, dat de waarde van het complex ten sterfdage voorstelt." Tijdens de mondelinge behandeling werd uitvoerig ingegaan op de verhouding van de begrippen "goodwill" en "complex", Handelingen, 1955-1956, blz. 674, 686, 693, 827, 833 en 837, maar ik moge er voor een ogenblik van afzien die discussie te releveren om daarop hierna nog terug te komen. Ik vermeld slechts, dat in de gedachtenwisseling tussen de heer Lucas en staatssecretaris Van den Berge (blz. 693, linkerkolom, 4e al., en 827, rechterkolom) de functie van de bepaling werd aangeduid als te "belasten de waarde van de goederen in going concern".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/48541fe4deb05886b0b62f828bfc6c2c23dcc1045a9a12f918faaf0ce5bff0e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 48541fe4deb05886b0b62f828bfc6c2c23dcc1045a9a12f918faaf0ce5bff0e9, en de alinea staat in dat document op bytes 18950 tot 22371.