Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977
Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 september 1977, ECLI:NL:PHR:1977:AX3189.
Fiscaalrechtelijk was een belangrijk gevolg van de rechtsgeldige oprichting van een stichting, dat het daarin ingebrachte vermogen en de inkomsten uit dat vermogen voor de heffing van de vermogensbelasting en de inkomstenbelasting niet meer aan de inbrenger(s) toegerekend konden worden. Daaromtrent overwoog Raad van beroep Tilburg 15 januari 1932, B. 5449, "dat een stichting wordt gevormd door de afzondering van een vermogen voor een bepaald doel met aanduiding op welke wijze het vermogen zal worden beheerd ....; dat die afzondering van vermogen daadwerkelijk moet geschieden t.w. dat degene, die een stichting in het leven wil roepen, niet zoodanig de feitelijke beschikkingsmacht over het voor dat doel bestemde vermogen moet behouden dat hij door gesties van hemzelf dat vermogen tot zich kan nemen, zonder dat iemand daarvan iets kan weten en zonder dat daartegen feitelijk eenige rem bestaat; dat zoodanige beschikkingsmacht aanwezig is, wanneer degene die zegt door afzondering van vermogen eene stichting in het leven te roepen, daarbij zich zelf als eenig bestuurder der stichting aanwijst zoolang hij zulks wenscht en aan iemand rekenschap verschuldigd is ....; dat (in dat geval) met betrekking tot (de) z.g. stichting niet daadwerkelijk vermogen is afgezonderd en zij mitsdien niet (is) tot stand gekomen; dat (in dat geval het) vermogen .... en de inkomsten dier z.g. stichting als vermogen en inkomsten van (degene moeten worden) aangemerkt, ( van wie het ) vermogen ... . dier z.g. stichting afkomstig" is. In gelijke zin H. R. 20 april 1938, B. 6666 (in welk geval "de statuten der zoogenaamde stichting, waaronder ook valt de bepaling van het doel van het afgezonderde vermogen, door den oprichter zelf en geheel alleen konden worden gewijzigd, zoodat hij het desverlangd in handen had, het zoogenaamde afgezonderde vermogen weer voor zich zelf te bestemmen") ; Raad van beroep Roermond 20 februari 1939, B. 7217 (in welk geval het vermogen en de inkomsten van de "stichting" werden toegerekend aan de pleegdochter van de inmiddels overleden oprichter, aangezien zij daarover "de feitelijke beschikking" had). In gelijke zin ook H.R. 15 januari 1941, B. 7292 (voor de toepassing van de dividend- en tantièmebelasting, in welk geval de processuele positie van de partijen omgekeerd was; hier was het de belanghebbende die zich erop beriep, dat geen voltooide uitdeling had plaats gehad, aangezien het bevoordeelde fonds niet als stichting bestond).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/700fdf2fa28f75e9c239e549d4acee4cc7e2c857b90b4de2ef850650effe6a99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 700fdf2fa28f75e9c239e549d4acee4cc7e2c857b90b4de2ef850650effe6a99, en de alinea staat in dat document op bytes 5162 tot 7645.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/700fdf2fa28f75e9c239e549d4acee4cc7e2c857b90b4de2ef850650effe6a99 | shasum -a 256